Linden Maliebaan


Op 31 mei 2007 stuurde wethouder Giesberts een brief aan de Commissie Verkeer en Beheer waarin hij stelde dat de bomen op de Maliebaan er slecht aan toe waren. Door een slechte afwatering en door de evenementen waren voor vele bomen de groeiomstandigheden slecht, waardoor groeistoornissen, wortelsterfte en zwamvorming waren opgetreden. Er waren maatregelen nodig, waaronder het kappen van een aantal bomen.

De brief wekte nogal ophef in de pers, zodat de wethouder meteen nader onderzoek aankondigde.


Nu is de Maliebaan al veel langer bekend als een plek waar de bomen het niet goed hebben. De geasfalteerde middenrijbaan is te breed, er wordt vaak op een ruwe manier onderhoud uitgevoerd, en de evenementen, met name de Piekenkermis, verdichten de ondergrond. Op die slechte groeiomstandigheden van de bomen langs de hoofdrijbaan van de Maliebaan is reeds in 1978 gewezen door de Werkgroep Herstel Leefbaarheid en in 1984 door de Werkgroep Directe Voorzieningen Binnenstad.

Maar het gemeentebestuur heeft daar nooit met adequate maatregelen op gereageerd. En van de voorwaarden die aan de evenementen werden verbonden kwam tot nu toe weinig terecht door het ontbreken van effectief toezicht en het practisch afwezig zijn van sancties.


De brief van Giesberts was voor ons en anderen reden tot zorg. Niet omdat het slechte onderhoud en gebruik aan de kaak werd gesteld, want dat was terecht en nodig. Maar de voorgestelde maatregelen werden in de brief eigenlijk al meteen onmogelijk verklaard. De Maliebaan is een kostbaar bezit van de stad en het bestuur mocht wel meer moeite doen om dat in goede staat te houden. Wij schreven op 14 juni een brief waarin dat werd gemeld. Een maand later volgde nog een meer uitgewerkte brief. Daarnaast werd, in overleg met ons, op 21 juli een brief met bijlage geschreven door de Werkgroep Herstel Leefbaarheid. Deze brieven zijn nog niet beantwoord.


De gemeente was intussen aan het werk gegaan door een onderzoeksopdracht te geven aan het boomadviesbureau Cobra. Mensen van dat bureau maakten een gedetailleerde studie van de toestand van alle bomen in september  kwam er een rapport uit

Van het rapport van Cobra hebben we alleen een globaal beeld want het gemeentebestuur maakte bezwaar om het aan ons te verstrekken. Het rapport bevestigde de slechte toestand van de bomen en stelde geloofwaardige maatregelen voor om de situatie te verbeteren. Ook werden in dit rapport bomen genoemd die snel gekapt zouden moeten worden, hoewel andere dan die de gemeente als noodgevallen had aangegeven. Waar Stadswerken en Cobra het wel over eens waren, was dat de rode beuk op het Malieblad gekapt moest worden.


Nu kwam die rode beuk in het centrum van de belangstelling te staan. Het is een boom die daar omstreeks 1860 is geplant, met een prachtig uiterlijk, en daarom op de gemeentelijke lijst van monumentale bomen geplaatst, in de categorie B. Deze boom was aangetast door de reuzenzwam, een akelig soort dat de wortels verzwakt zodat de boom zijn stabiliteit verliest, terwijl hij er op het oog heel gezond uitziet. Het is bekend dat een beuk met reuzenzwam geen lang leven meer heeft en het gevaar is groot dat hij een keer omwaait. We hadden dus zeker na het rapport van Cobra een aanvraag voor velvergunning verwacht, en hebben daar ook in een brief van 31 oktober op aangedrongen.


Het liep helaas anders. Na een aankondiging op donderdag 1 november werd de boom maandag 5 november door de gemeente gekapt, met een beroep op de noodprocedure.

Nu kon het best zijn dat er sprake was van nood, maar de gemeente had het daar dan toch op laten aankomen. Ook vonden we dat er onvoldoende aan omwonenden en andere betrokkenen was uitgelegd hoe het er voor stond en waarom het zo gelopen was. Daarom schreven we op 8 november nog een brief waarin we vroegen de noodzaak achteraf dan toch duidelijk te maken.

Daags daarna is door de gemeente de grond met wortels aan de aangetaste zijde weggefreesd. Uit de verkleuring van de wortels nabij de stam werd duidelijk dat de aantasting door de reuzenzwam al ver was voortgeschreden. Volgens de aanwezige gemeentelijke deskundigen was er daardoor nog maar zo weinig steun aan die zijde dat directe kap nodig was.


Wat is onze conclusie nu na dit gebeuren? We hebben die ver gevorderde aantasting gezien en we nemen aan dat daardoor de weerstand tegen omwaaien onvoldoende was. De zorg van ons, en anderen, dat de kap voorbarig was is daarmee weggenomen. Maar pas achteraf. Het was voor alle betrokkenen veel beter geweest als die zorg vooraf was weggenomen door een behoorlijke behandeling van een velvergunning, waarbij in openheid over de situatie en de rapportages gesproken had kunnen worden.


En wat de toekomst betreft: evenementen die bodemverdichting veroorzaken, door de attracties zelf, door parkeren, rijden en lopen op het gras, moeten werkelijk aan banden gelegd worden, willen we herhaling van dit soort schade voorkomen.