Heruitgave Panorama van Utrecht


In 1859 werd een panorama van Utrecht uitgegeven, bestaande uit vier in kleuren gedrukte, aaneengeplakte, zigzag gevouwen bladen met een totale lengte van 5.82 meter. Hoeveel exemplaren er in omloop zijn gebracht is niet bekend. Het is nu zeldzaam geworden.


Het panorama laat de Utrechtse binnenstad zien zoals men er van buiten af, vanaf de singels, tegenaan keek tijdens een rondgang om de stad. Deze rondgang, tegengesteld aan de richting van de klok, begint en eindigt bij de Wittevrouwenbrug aan het eind van de Biltstraat. De toeschouwer verplaatst zich over de weg die aan de ‘landzijde’ rondom de stad loopt (nu respectievelijk de Wittevrouwensingel, Weerdsingel, Catharijnesingel, Tolsteegsingel en Maliesingel genoemd). Een aardig detail hierbij is dat de stad in vier seizoenen is weergegeven, al zijn die niet gelijkelijk verdeeld. De herfst duurt maar heel kort. De winter, te herkennen aan de de kale bomen en schaatsers op de stadsbuitengracht, bepaalt het aanzien van het noorden en noordwesten van de stad. Ongeveer driekwart van het panorama is in de zomer afgebeeld. Dit is niet toevallig omdat het grootste deel van de stad door het singelplantsoen was omgeven. Dit plantsoen was nog maar kort voor het uitbrengen van het Panorama van Utrecht voltooid en was toen op zijn mooist.


Utrecht bestond rond het midden van de 19de eeuw nog hoofdzakelijk uit het door de singels omsloten gebied dat wij nu de binnenstad noemen. Daarbuiten kwam wel bebouwing voor maar die was geconcentreerd in de voorstad Bemuurde Weerd en bij land- en waterwegen waarlangs het verkeer de stad in- en uitging zoals Biltstraat, Tolsteeg, en Leidse Veer. Daartussen lagen landelijke gebieden die pas aan het eind van de negentiende eeuw op grote schaal zouden worden bebouwd.


Tot 1830 was Utrecht nog vrijwel geheel ommuurd. In 1829 had de (tuin)architect J.D. Zocher jr. van het stadsbestuur de opdracht gekregen om een stedenbouwkundig plan te maken voor verbetering van de bestaande (binnen)stad en voor uitbreiding van de stad. Vrijwel het enige onderdeel dat tot uitvoering kwam was de afbraak van de als benauwend ervaren en sterk vervallen verdedigingswerken. Zij werden gesloopt om de stad meer frisse lucht en een fraaier aanzien te geven. Op de vrijgekomen grond werden plantsoenen aangelegd en voorname huizen gebouwd. De nieuwbouwbouwplannen werden voornamelijk gerealiseerd rond de noordwesthoek van de stad, het wintergedeelte van het panorama. De plantsoenengordel met zijn glooiende en slingerende wandelpaden tussen bewust alleen of juist in groepjes geplante bomen en heesters, nam het grootste gedeelte in beslag. Daarom duurt in het panorama de zomer zo lang. Door met opzet delen van de wal niet af te graven werden armoedige steegjes en andere ontsierende elementen gecamoufleerd. Andere gebouwen, die soms eeuwen lang in de schaduw van de stadswal hadden gestaan, kregen ineens een vrij uitzicht.


De metamorfose die Utrecht hierdoor onderging was in 1859 bijna geheel voltooid. De grote veranderingen ten gevolge van de stadsuitbreiding en het toenemende verkeer zouden nog enige tijd op zich laten wachten.


In 2003 werd ter gelegenheid van het 80-jarig bestaan van de Vereniging Oud-Utrecht een herdruk van het Panorama van Utrecht uitgegeven door de SPOU (Stichting Publicaties Oud-Utrecht) in samenwerking met de Stichting GUSTO (Geschiedschrijving Utrechtse Stedelijke Ontwikkeling).


Deze uitgave, voorzien van toelichtende teksten en een inleiding, is voor ca.  € 10,= bij diverse boekhandels te koop.